|
Kat en voeding.
Een kat is een carnivoor, een vleeseter, die bovendien
erg kieskeurig is en graag de tijd voor zijn maaltijd neemt. Een kat is ook
afhankelijker van zijn voer. Zo kan een kat geen vitamine A aanmaken uit
caroteen. Een kat heeft vitamine A dus nodig in het voer. Dat geldt ook voor
andere stoffen als taurine, arachidonzuur, niacine en arginine. Voor een deel
zijn dat aminozuren die een kat niet zelf kan aanmaken. In het voer van de kat
dienen deze stoffen dus aanwezig te zijn, anders wordt het dier ziek. De eiwit
behoefte is ook groot. Het zal duidelijk zijn dat het nog niet zo eenvoudig is
aan de voedingsbehoeften van een kat te voldoen. Daarom is het ‘t beste om een
goed merk fabrieksvoer te geven. Op de verpakking moet staan het of het om compleet of
volledig kattenvoer gaat. Let daar op! Aangezien de kat een echte vleeseter is,
is het van belang dat hij ook echt kattenvoer krijgt. Met name onverzadigde
vetzuren zijn heel belangrijk. Als de kat niet in voldoende mate deze
essentiële stoffen via het voer opneemt, wordt de vacht dof, wordt hij minder
speels en in het ergste geval zelfs ziek. Maar ook aan de andere kant loert
gevaar; overdaad schaadt namelijk. Geef de kat niet teveel voer, daarmee doen
we meer fout dan goed.
De maaltijden.
De kat is een vleeseter met een kleine maag, dus het is
beter de volwassen kat twee keer in plaats van één keer te voeren. Daarnaast is
het van belang de dieren zoveel mogelijk op hetzelfde tijdstip van de dag eten
te geven. Natuurlijk is het best eens aardig om de kat tussen de maaltijden
door, bijvoorbeeld tijdens de koffie, een kleine versnapering te geven, maar pas
daarmee op en geef hem dan zoveel mogelijk hapjes die met kattenvoedsel te maken
hebben, dus geen gebak, koekjes of suikersnoep. Als de dieren teveel verwend
worden gaan ze bedelen en dit wordt door veel mensen niet als prettig ervaren.
Het is echter een gedrag dat, eenmaal aangeleerd, niet zo snel afgeleerd kan
worden.
Teveel voer.
Iedereen heeft zo zijn eigen ideeën over het antwoord
op de vraag wanneer een kat te dik is. Om toch een indruk omtrent de vetaanzet
bij de kat te krijgen, kan de volgende vuistregel gebruikt worden: het moet
mogelijk zijn de ribben van de kat te voelen, maar ze moeten niet zichtbaar
zijn. Dit is niet altijd makkelijk. Ga met de vlakke hand over de borstkas van
de kat. Als de ribben zichtbaar zijn, is de kat te dun. Als de ribben niet meer
te voelen zijn is de kat te dik. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat
te dikke dieren minder lang leven. Dikke dieren ontwikkelen sneller tumoren en
krijgen eerder last van hun hart. Daarnaast zijn er ook allerlei typische
ouderdomskwalen die hierdoor sneller ontstaan. Als de dieren te dik zijn, moeten
ze in veel gevallen een kwart van hun levensverwachting inleveren. Dat betekend
voor dikke katten dat ze soms drie tot vier jaar eerder sterven. Daarnaast is
het leven op zich voor het dier ook minder prettig als het te dik is. De kat is
minder speels en sneller moe. De meeste katten passen zelf goed op en zullen het
niet zover laten komen. Als de kat voelt dat zijn hongergevoel verdwenen is , zal
het dier in de meeste gevalleen stoppen met eten. Een aantal katten doet dat
echter niet en blijft net zolang dooreten tot de bak helemaal leeg is. Dit zijn
meestal de dieren die te dik worden. In dat geval zal de eigenaar moeten
ingrijpen en het voer moeten rantsoeneren. Tenminste, als de kattenbezitter zo
lang mogelijk van zijn huisdier wil genieten.
|